Het functionele waarom

17 januari 2016

Een veel gehoorde uitspraak binnen het onderwijs is dat uiteindelijk alles gedaan wordt voor de leerling. Dat binnen de school de leerling centraal staat. Maar wat nu als de leerling écht centraal zou staan? Waar ben jij dan in het geheel? En: wordt echt alles binnen school gedaan om de leerling centraal te stellen? Staat elke handeling in het teken daarvan en draagt iedere regel daaraan bij?

Wie werkt in het onderwijs wordt snel gegrepen door de complexiteit van allerlei facetten die dit prachtige vak met zich mee brengt. Jij, als leerkracht, als onderwijzend ondersteunend lid van de school, of als leidinggevende of bestuurder, weet dat. Je begeeft je in een omgeving, de school, met kinderen die op hun beurt weer geflankeerd worden door ouders. En in een omgeving met collega’s die jouw passie voor onderwijs delen. Je maakt deel uit van een samenleving, de klas als samenleving in het klein.

Verschillen zijn onontkoombaar en zie jezelf dan maar eens te verhouden tot wat jij ‘het juiste’ vindt in dit oerwoud. Dat maakt een onderwijsomgeving tot een complex geheel. Daar komt bij dat je bijdraagt  aan de vorming van de wil en ook het talent ontsluiert met de ander: de leerling, ouder en/of collega. En ook zij verhouden zich weer tot deze (mini)samenleving.

En in deze omgeving wordt geleerd, iedere minuut van de dag. Dat leren probeer je dag in en dag uit ook nog eens te doen in een betekenisvolle onderwijscontext. Jij komt iedere dag je bed uit om een context te creëren waarin dat wat geleerd wordt zinvol, stimulerend en motiverend is. Dat alles wát je doet er ook daadwerkelijk toe doet. Je bent niet te stoppen in het je best doen om het onderwijs zo betekenisvol mogelijk te maken. Zelfs in het weekend werk je door en ’s ochtends ben je als een van de eersten aanwezig. Want, alles leidt ook nog eens ergens naartoe: opbrengsten!

Het is een heel proces om als leerling jezelf te leren kennen, jezelf te ontwikkelen, keuzes te maken, creatief te blijven, fouten te durven maken, een vraag te durven stellen en om de relatie met een ander aan te gaan. En dat alles binnen die veilige, vertrouwde en betekenisvolle mini samenleving. Waar compassie en mededogen zijn, altijd tijd en er ruimte is om te mogen oefenen.

Maar, is dit voor jou allemaal zo anders?

Zelf denk ik regelmatig aan de hete hangijzers binnen een school. Hangijzers die eigenlijk zijn ontstaan vanuit controle of angst.

In mijn ervaring ging dat bijvoorbeeld over regels rondom het dragen van petten: we wilden als school de leerling centraal stellen maar eigenlijk alleen vanuit ons eigen perspectief. Los van of ik het er mee eens was of niet, probeerde ik te achterhalen welke waarden er onder deze regel zaten. Wat is het dat we de leerlingen hiermee willen leren? Welke rol hebben veiligheid en vertrouwen binnen deze regel? Ik stelde vragen. Ik begon met vragen hoe de regel ontstaan was, vroeg naar mogelijk negatieve ervaringen en via andere mogelijke oplossingen stelde ik uiteindelijk de vraag hoe en of deze regel bijdraagt aan het centraal stellen van leerlingen.

Met al mijn vragen had ik uiteindelijk maar één doel: het functionele waarom achterhalen. Waarom we de dingen doen die we doen. Dit omdat wanneer het functionele waarom helder en zuiver is hier een ander verschillend idee, oplossing of mogelijkheid tegenover te zetten is. Niet om dit vanuit het ‘is goed/fout’ of het ‘je hebt gelijk/ongelijk’ te beschouwen en bediscussiëren, maar om te synthetiseren: iets nieuws creëren door verschillen te verbinden! Als een wereldreiziger het onontgonnen gebied ontdekken, of zoals een kind dat pioniert binnen zijn of haar eigen spel en fantasie. Alles kan en alles is mogelijk. Noem het ‘het lege midden’, het lege vel of het zaadje dat geplant wordt.

Als ik vanuit mijn eigen perceptie en ingegeven door mijn verleden tegen een kind zeg dat het recht op een stoel dient te gaan zitten, hoe draag ik dan bij aan meer gevoel van relatie, competentie en autonomie? Staat die leerling dan wel echt centraal bij mij? Zeg ik dit voor de leerling? Zie ik het kind dan überhaupt wel? Hoe leer ik het kind zichzelf te leren kennen?

Het functionele waarom helpt de waarden tussen verschillen te ontsluieren. De jongen die niet stil kan blijven zitten op een stoel en mijn perceptie dat recht en stilzitten een hogere opbrengst genereert. Door mezelf af te vragen waarom ik deze perceptie heb én door me bewust te zijn dat het alleen de mijne is, kunnen we samen op zoek naar wat voor deze jongen zelf werkbaar is. Het lege midden, waar ook de leerling zijn stem mag laten horen. Onze waarden waren gelijk, alleen de uitingsvorm verschilde. We vonden een oplossing.